Bread

‘Niet de ervaring telt voor een kunstenaar, alleen de innerlijke ervaring telt.’

— Cesare Pavese, Leven als ambacht

‘De onmogelijkheid waarin we ons bevinden om de waarheid uit te zeggen, ook al ervaren we ze, doet ons spreken als dichters. (…) In de daad van het spreken brengt het individu niet zijn weten over, maar vormt het iets op een dichterlijke wijze. Het vertaalt en nodigt anderen uit om hetzelfde te doen. Het individu communiceert als zijnde ambachtsman, als iemand die woorden als gereedschap hanteert.’

— Jacques Rancière, De Onwetende Meester

Veerle Beckers eet geen brood, of toch zelden. Ik kan het weten, als haar echtgenoot. Terwijl ik ‘s ochtends mijn boterhammen smeer eet zij pap. Havermoutpap, uit een klein kommetje met een houten lepel. Toch schildert ze ‘om den brode’ zoals dat heet. Ze doet dit niet zomaar om haar spreekwoordelijke boterham te verdienen. Schilderen om den brode is hier een metafoor die verder reikt en dieper graaft. Etymologisch gezien zou het Engelse ‘bread’ terug te leiden zijn naar het Oudgermaanse ‘brod’ wat ‘broeien’ betekent, terwijl de Bijbel brood als bron van geestelijke voeding aanwijst.

Veerle Beckers schildert omdat ze één van die mensen is bij wie er ten allen tijde vanalles broeit in haar rijke innerlijke leven. Er is veel geestelijke voeding die via verf en doek een uitweg zoekt naar de wereld. Schilderen is in die zin een soort verteringsproces. Die geestelijke voeding komt voort vanuit prikkels uit het alledaagse leven die raken aan ingesleten denkbeelden, jeugdherinneringen en oude patronen. Wanneer we samen op stap zijn, dan heeft Veerle altijd veel méér gezien en gevoeld dan ik en wat ze ervaart beroert meer snaren. Wat ze opvangt blijft langer hangen of gaat dieper naar binnen, waar het verder gist en langzaam rijst zoals goed brood. Dat laatste, die traagheid, is cruciaal. Schilderen om den brode is (ook) een zoektocht naar — of een ode aan — geduld, eenvoud en stilte. Enkel onder die omstandigheden kan het innerlijke leven naar het oppervlak komen om op het doek te belanden.

Zoals brood basisvoedsel was in de Middeleeuwen, zo vormen de Middeleeuwen het basisvoedsel voor de schilderijen van Veerle Beckers. Die Middeleeuwen staan voor een terugkeer naar de essentie van de schilderkunst, een zoektocht naar maximale beroering met minimale middelen. Eén schilderij toont één beeld en geen mozaïek van beeldfragmenten. Dat beeld is meestal bijzonder statisch, bevroren in de tijd als een artefact, losgeweekt uit zijn oorspronkelijke context. De figuur of het thema komen pas op het doek wanneer het wekenlange monnikenwerk volbracht is om de talloze basislagen verf aan te brengen. In de dikte van die lagen ontstaat een ruimtelijkheid die de context vormt voor een specifiek beeld dat in dat verflandschap neerstrijkt — en andere beelden onmogelijk maakt. De kleuren zijn vaak verwant aan de kleuren die we aantreffen in Middeleeuwse kerken en hun muurschilderingen. Die kleuren schemeren door tussen de verschillende lagen op het doek en zorgen ervoor dat het beeld heel erg besloten ligt in het schilderij. Alsof de schilder aarzelt om haar zieleroerselen te delen met de wereld. Het œuvre van Veerle Beckers vormt zo een taal die vanuit de onderbuik komt, gecomponeerd met vormen, beeldfragmenten, lagen verf, spatjes.

De onwetende meester, ook in de schilderkunst, stelt zich niet boven de wereld om deze vervolgens op briljante wijze op doek te zetten. Hij/zij dompelt er zich in onder, ondergaat de wereld met alle (on)geluk, hoogtes en laagtes die daarbij horen, en brengt die doorleefde ervaringen vervolgens terug naar buiten via het doek. Zo ook Veerle Beckers. Ze is geen spreker en geen schrijver. Veerle Beckers is schilder. Een ambachtelijke schilder. Ze schildert wat ze te vertellen heeft, speurend en suggestief, met penseel en doek als gereedschap om schilderijen te maken die als kleine gedichten in de wereld staan.

David Peleman

Gent, 14 februari 2026